Weijers in oostelijk Brabant

Verspreid in oostelijk Brabant komen op meerdere plaatsen veldnamen of straatnamen voor met daarin het woord “weijer”. Soms wordt het gespeld als ‘wijer’ of ‘weyer’. Die namen wijzen er op dat daar vroeger een (meestal verdwenen) oud landschapselement aanwezig was. Het woord weijer is ontstaan uit het latijnse woord vivarium. In het woordenboek vinden we als vertaling: bewaarplaats voor levende dieren: menagerie, vooral visvijver. Niet alleen het woord weijer, maar ook het Nederlandse woord vijver is er direct van afgeleid. Weijers zijn visvijvers waarin vis werd gekweekt en/of bewaard. Dus niet zomaar een ven of een poel, maar een vijver die gebruikt werd als viskwekerij. Weijers werden in de middeleeuwen aangelegd. Ze moesten niet te diep zijn en daarom werden ze meestal ingericht in de bovenloop van kleine beken. Er werd gekozen voor plaatsen waar het dal wat breder was en een natuurlijke laagte met water vormde. Om er vis te kunnen houden werd er wel het een en ander aangepast. In een aantal gevallen werden daarom de oevers van de weijers kunstmatig verhoogd of er werden dammen aangelegd om het water makkelijker te kunnen vasthouden. Ook moest het mogelijk zijn om het waterpeil te regelen. Als je vis wilt vangen is het makkelijker als je het waterpeil kunt laten zakken. Als je de weijer leeg laat lopen dan ligt de vis er voor het oprapen. Op het laagste punt van de weijer moest het water gestuwd kunnen worden. Daarvoor werd een stuw of sluis geplaatst, eventueel gecombineerd met een dam, om de beek te kunnen afsluiten. Met de sluis kon het waterpeil worden geregeld. Bij de grotere weijers is vaak ook plaatselijk de beekloop deels omgeleid om de watertoevoer beter te kunnen regelen en om bij te grote toevoer het water om de weijer heen te kunnen leiden. Veel weijers dateren uit de middeleeuwen en komen in 14de -eeuwse registers en oorkonden al voor. Eigenaars waren meestal lokale edelen of andere vermogende personen en instanties, zoals kloosters. De weijers verloren op den duur hun functie. De meeste zijn als open water inmiddels verdwenen. Ze verloren kennelijk hun functie en konden door hun geringe diepte makkelijk worden ontgonnen tot weiland. Uiteraard verdween de sluis, maar in veel gevallen zijn de steile oevers en delen van de aangelegde dammen nog aanwezig. Die ‘restanten’ kunnen inmiddels beschouwd worden als landschappelijke monumenten: landschapselementen die door mensen in de middeleeuwen werden aangelegd.
In nagenoeg alle plaatsen in het zandgebied van Brabant kwamen weijers voor, zeker als die plaatsen wat verder verwijderd liggen van de grotere beken. We zullen een aantal voorbeelden van oude weijers beschrijven.

Dapperslaar, de weijer van Brouwhuis
Brouwhuis is tegenwoordig een wijk van Helmond, vroeger een buurtschap van deels Bakel en deels Vlierden. In de middeleeuwen heette het Bruheze. Ten zuidoosten van de wijk Brouwhuis ligt in het buitengebied een groep boerderijen aan de Weyerweg. Dit gebied wordt vanouds De Weijer genoemd. Daar is een laaggelegen gebied herkenbaar tussen de Weyerweg en de Vlierdense Bosdijk. De Wolfsputterbaan (N279) loopt dwars door de voormalige visvijver.

De topografie van de weijer van Brouwhuis ca 1930. Midden op de kaart de (drooggelegde) weijer met een waterloop er dwars doorheen. Het water kan afgevoerd worden in westelijke richting. Op de kaart zijn de wallen of dammen rondom de voormalige weijer duidelijk te zien.

Bij de oudst bekende vermelding van de weijer in Brouwhuis uit 1394 staat duidelijk vermeld dat de wateraanvoer en afvoer er onderdeel van zijn en dat de eigenaar het waterpeil mag regelen zoals hij dat wil: “Jan Rover, zoon van wijlen heer Geerling Rover, ridder, verkoopt aan Rycolt Borchgreve een zekere weijer met ondergrond, gewoonlijk genaamd Dapperslaar gelegen in de parochie Deurne in de pastoria van Vlierden ter plaatse genaamd Bruheze, tussen het erf van Aart Stamelart van Bruheze aan de ene kant en tussen het erf van wijlen Willem van Bruheze aan de andere kant, met de volle waterinlaat aan de hoge kant van de weijer en de volle doorlaat en wateruitlaat aan de lage kant van de weijer. Zo vaak als hij wil mag de eigenaar de doorlaat en de uitlaat van het water gewoonlijk in werking stellen, etc. “
De eigenaars van de weijer door de eeuwen heen zijn bekend. In 1496 werd het Helmondse vrouwenklooster Binderen eigenaar en bleef dat tot de confiscatie door de Staten Generaal in 1648.
Elders op deze site staat een uitgebreider artikel over De Dapperslaar.

De weijer van Brouwhuis anno 2018. Rechts op de foto de wal aan de noordkant en links op de achtergrond de begroeide wal aan de westkant

De weijer van Mierlo
In het zuiden van Mierlo lag een weijer die het eigendom was van de kasteelheren van Mierlo. Ook deze weijer is al jaren geleden drooggelegd ten behoeve van de houtteelt. Daarvoor werden in de voormalige visvijver zogenaamde rabatten aangelegd: lange, smalle ruggen met daartussen greppels. Op de rabatten werden de bomen geplant. Rabatten zijn zelf al erfgoed waar we zuinig op moeten zijn, maar een rabattenbos in een voormalige middeleeuwse weijer is wel erg bijzonder. Nu loopt de A67 dwars door de voormalige weijer. Ten zuiden van de autoweg vormt een oude wal de begrenzing en aan de noordkant is nog een dam aanwezig die vanouds het water bijeen hield. Zoals bij de meeste andere weijers ook het geval is werd een sloot om de weijer heen gegraven. Daardoor was het mogelijk om een te grote watertoevoer om de weijer heen te leiden. Als er water nodig was kon een sluis worden opengezet naar de weijer zelf.

De weijer van Mierlo in 1953. Hij had een ovale vorm en de wal aan de zuidkant is op de kaart goed zichtbaar, evenals de dam aan de noordkant.
De hoogtekaart van de weijer van Mierlo. Hoe roder de kleur, hoe hoger het maaiveld, hoe blauwer hoe lager. Met rode stippellijnen zijn de wallen en dammen om de weijer aangegeven. De groene baan van links naar rechts is de A67.

Eggelmeer, de Weijer van Milheeze
In Milheeze lag al in de middeleeuwen, aan de rand van het voormalige peelgebied, een weijer die de naam Eggelmeer had. Al in 1332 verkoopt Goyart van Scheepstal, grootgrondbezitter in Bakel en Milheeze, deze weijer aan de Commanderij Gemert van de Duitse Orde.
Bij de overdracht in 1332 werd expliciet vermeld dat de eigenaar van het Eggelmeer het recht had om het water richting de Peel zo hoog op te stuwen als hij wilde en bovendien mocht hij sloten graven om water aan en af te voeren. Nu nog stroomt daar de bovenloop van de Snelleloop, die waarschijnlijk als afvoersloot van de visvijver werd gegraven. In het Eggelmeer was bovendien een zogenaamd visgeweer ingericht. Een visgeweer bestaat uit vlechtwerk van wilgentakken in het water om de vis naar een fuik te leiden. Al in 1332 was een visgeweer in de weijer van Milheeze aanwezig. Hoe lang de weijer als visvijver in gebruik is gebleven is onbekend. Al vóór 1782 is de waterplas drooggelegd en ontgonnen. De Duitse Orde verpacht dan de landerijen. De naam Eggelmeer duidt er op dat in de weijer veel eggels voorkwamen. Een eggel is een middeleeuwse benaming voor een bloedzuiger.
Elders op deze site staat een uitgebreider artikel over de Weijer van Milheeze.

Elskens weijer in Deurne
De naam Elskensweijer is ontstaan uit de oudere naam Elschotsweijer en hij wordt ook wel genoemd De Proosts weijer van Wassenberg. Hij lag in Deurne op een punt waar een kleine waterloop uitmondt in de Raktseloop. De ligging blijkt uit kadastrale tekeningen van 1832. Toen was de weijer nog open water, maar een deel ervan is al voor 1840 ontgonnen. Nu is er geen open water meer aanwezig. Een deel van de oude oever van de weijer bestaat nog als steilrand in het landschap. Uit meerdere archiefvermeldingen blijkt dat het waterpeil van de Elskensweijer middels een sluis gereguleerd kon worden, zoals ook het geval was bij andere weijers . Deze sluis lag op het laagste punt zodat het waterpeil geregeld kon worden. Opvallend is dat juist bij deze sluis een grenspaal stond die het punt markeerde waar de drie dorpen Deurne, Vlierden en Bakel bij elkaar kwamen. We kunnen daar uit afleiden dat de weijer met zijn sluis al bestond toen deze grens werd vastgelegd. De sluis was een zodanig markant punt dat hij als grenspunt werd gekozen. Bij het vastleggen van de grens van de gemeente Vlierden door hertog Jan van Brabant in 1325 wordt Sproese Sluysse al genoemd als een van de grenspunten. De Elschotsweijer of Elskensweijer was in 1340 eigendom van Arnt Vrient, de Proost van Wassenberg. Hij moest daarvoor een cijns betalen aan de hertog van Brabant. De weijer kwam in handen van Elsbeen van de Wiele (de zuster van Arnt Vrient en vrouw van Jan van Bruheze) en daarna aan haar zoon Art Stamelaart van Bruheze alias van de Wiele. Dan wordt het eigendom van de heren van Helmond (Lodewijk van Berlaer en zijn opvolgers, de familie van Cortenbach).
Dat deze weijer vroeger veel vis bevatte mag blijken uit het feit dat deze in 1490, bij verdeling van de erfenis van hun grootouders tussen Jan en Iwan van Cortenbach, jaarlijks werd verpacht voor 150 karpers. In 1515 verpachtte de heer van Helmond de vijver aan Elisabeth van Doerne, abdis van het adellijk nonnenklooster Binderen, voor een periode van 8 jaren. De overeengekomen pachtsom moest steeds rond vastenavond betaald worden. De keuze van deze betalingsdag is niet zo verwonderlijk als men bedenkt dat in de vastentijd het nuttigen van vis zeer gebruikelijk was. Uit het jaar 1527 is een verpachting bekend voor de tijd van 15 jaren voor jaarlijks 450 karpers die Peter Aertssoen den Coninck moest leveren.

De naam van de oudst bekende eigenaar, de proost van Wassenberg, bleef nog lang in gebruik, maar wel in een verbasterde vorm. In een brief uit 1687 is sprake van de ‘Proese sluijs ontrent der Elskens wijer’. In 1811 was de sluis weliswaar verdwenen, maar wordt nog wel melding gemaakt van “Sproofssluyzen alwaar nog oude houte paalen staan”. Het grenspunt heette bij de invoering van het kadaster: paal genaamd Elskensweijer.
In Deurne en Vlierden kwamen meer weijers voor. Elders op deze site staat een bijdrage over de weijers van Deurne.

De Prinseweijer in Nuenen
Aan de oostkant van de bebouwde kom van Nuenen ligt de Prinsenweijer. Een voormalige karpervijver die aanvankelijk eigendom was van het augustijnenklooster Mariënhage in Eindhoven. Later behoorde het tot de goederen van de heer van Kranendonk. De weijer is genoemd naar de Prins van Oranje die heer van Kranendonk werd en daarmee eigenaar van de Prinsenweijer. Al in de eerste helft van de 18de eeuw was de weijer als zodanig niet meer in functie en in gebruik als weiland. In de 19de eeuw was het grotendeels heide. De naam wisselt van Prinsenweijer via Prinsenwater tot Prinsenweide. Dwars door de weijer stroomt een waterloop die nu de Hooidonksche Beek wordt genoemd.

De Prinsche Weide anno 1900. Op de westelijke en de oostelijke oever liggen wallen die deels nog aanwezig zijn in het landschap.

Veel meer weijers
Slechts een paar weijers zijn hierboven als voorbeelden beschreven. Er waren in het verleden veel meer weijers. In de gemeente Deurne leidde een inventarisatie tot de aanwezigheid van minimaal acht weijers, waarvan het merendeel in het landschap nog herkenbaar is. Ook in de gemeente Nuenen zijn op basis van historische vermeldingen acht weijers aanwezig geweest. Een paar vermeldingen over de verkoop van weijers willen we noemen. Het gaat dan vooral om de voorwaarden waar de nieuwe eigenaar aan moet voldoen. In verband met de leesbaarheid is niet de letterlijke tekst gebruikt, maar is de vermelding in modern Nederlands omgezet.
Anno 1523: het water in de weijers mag men ‘op en aflaten’ (het waterpeil verhogen of verlagen) als de geburen er geen schade van hebben.
Anno 1523: de eigenaar mag een wal in de weijer plaatsen opgebouwd uit graszoden
Anno 1526: Het Molkersven in Opwetten wordt verkocht onder de voorwaarde dat de visinstallaties niet tot schade voor de buren zullen leiden en de waterloop mag om het ven heen geleid worden.
In Someren vinden we in 1615 een visvijver of ‘staand water’ gelegen aan het Slieven en in Beek en Donk heeft jonker Bartold van Flerus, drossaard van Heeswijk, verkocht aan Willem Goossen Claessen een stuk weiland met een visweijer te Beek in de Karstraat.
Veel veldnamen herinneren aan de aanwezigheid destijds van weijers. Beijers en Van Bussel verzamelden veel veldnamen in het voormalige kwartier Peeland van de Meierij. Een paar vermeldingen: Middelrode (vivarium), Schijndel (op den damme van de weijer 1382), Liempde (piscaria 1406), St Oedenrode (vivarium 1320, weijer op Caudenbergh 1431, weijer op Verrenhout 1416), Veghel (vivarium 1406), en verder nog in Someren, Bakel, Milheeze, Stiphout, etc.
In de verzamelingen van toponiemen van De Bont komen we weijers tegen in Valkenswaard, Luiksgestel, Hapert, Knegsel, Hoogeloon, Oerle, Netersel, Oirschot, Reusel, Veldhoven, Bergeijk, Wintelre, Zeelst, Diessen, de Beersen, Dommelen, Eersel en Geldrop.

Landelijk erfgoed
In het voorgaande zijn een aantal weijers beschreven, die nu nog in het landschap herkenbaar zijn door de aanwezige laagte in combinatie met de steile oevers, maar vooral door de aanwezigheid van wallen en dammen en gegraven waterlopen. Er zullen nog veel meer weijers in het landschap herkenbaar aanwezig zijn, maar ze worden doorgaans niet als waardevol landschappelijk erfgoed herkend en gewaardeerd. De voormalige weijers zijn inmiddels geen open water meer, maar ontgonnen tot weiland of bos, maar in veel gevallen zulen (delen van) de wallen en dammen nog aanwezig zijn, evenals gegraven waterlopen. De plaats van de voormalige suizen zijn ook nog een hoge archeologische waarde. Een degelijke inventarisatie per gemeente van weijers en van de nog aanwezige restanten zou niet alleen de kennis verhogen, maar ook de waardering ervan. Dat zal moeten leiden tot het behoud. Op de erfgoedkaart van Deurne zijn ze inmiddels gekarteerd.

Dit artikel verscheen in sept  2020 in Nieuwsbrief 130 van Stichting de Brabantse Boerderij.